MULTITUD – Dagboek van een performer

Home  |  Textos   |  Multitud   |  MULTITUD – Dagboek van een performer

MULTITUD – Dagboek van een performer

Eén van de hoogtepunten van Julidans 2016 is de voorstelling MULTITUD op vrijdag 1 en zaterdag 2 juli in het Amsterdamse Erasmuspark. Zestig tot tachtig lokale performers (amateurs en professionals) brengen een meeslepend, fysiek spektakel onder leiding van choreografe Tamara Cubas uit Uruguay.

Bij de repetities overlegt Cubas met de performers waar elke scène op zal uitdraaien, maar de deelnemers moeten elke opvoering zelf uitvinden hoe ze daar komen. Zo ontstaat elke avond een dynamische groepschoreografie, die wordt gestuurd door de keuzes die elke performer ter plekke maakt.Wij vroegen één van de performers om een dagboek bij te houden van dit bijzondere, intensieve proces.

“Zeg Ferry, is dat niks voor jou: performen? Deze simpele maar ook verrassende vraag zette mij aan het denken. Wat zeg ik, gooide mijn wereld overhoop. Schuilt er in mij Ferry Wieringa, man, 41 jaar, schrijver niet al jaren een performer? MULTITUD, here I come.”

Dag 0: De aanloop.

“Het was geen lichtzinnige ja. Ik hield een slag om de arm. Goed, ik wil dit jaar vaker ja zeggen, maar niet op alles. Ook wil ik meer samenwerken, meer mensen zien, meer geven en meer ontvangen. Ik besloot dus met: ‘Anita, stuur me de oproep en ik beslis later.’
Een paar dagen later las ik dat MULTITUD de ontmoeting met de ander wil verkennen, de relatie tussen privé en publiek. Ik beken, het prikkelde. Op straat voel ik voortdurend van alles bij mensen maar vaak laat ik het pas tot uitdrukking komen als ik me veilig voel of aan mijn schrijftafel zit. De gedachte aan performen deed mijn buik borrelen, en niet omdat ik trek had.
Diep in mij vermoed ik een groot spelend kind. Maar verstandig als ik ben zou ik er nog eerst een nachtje over slapen. Het zijn immers woorden waar ik ja op zou zeggen. Mooie woorden maar… woorden. Ze praten niet, zoeken geen ruzie, zien mij niet staan, negeren me evenmin. Ze ruiken niet, zweten niet, hebben geen handleiding, spreken niet, oordelen niet. Zeg ik ja dan heb ik straks niet met woorden te maken maar met: echte mensen! Onbekenden bovendien. En dan ook nog vermoedelijk veel performers, artiesten, dansers. Vast allemaal van die types die de benen in de nek leggen, op hun handen komen aangefietst of ondersteboven de gymzaal betreden. Of van die meiden die zo ‘at ease’ met hun lichaam zijn dat ze zich voor je neus gaan staan omkleden. Alsof naaktheid de normaalste zaak van de wereld is!
En als ik ja zeg, wat trek ik dan aan? Hoe kleedt een performer zich? Moet ik een doek om mijn hoofd binden of beenwarmers dragen. Moet ik naakt?
En als ik die repetities al doorsta, aan het einde van de rit wachten ons twee voorstellingen. Met publiek.
(Schooluitvoering op de basisschool. Een toneelstuk naar een Frans boeks over een schoolklas. De schoolfotograaf komt op bezoek. Ik ben de fotograaf. Het is een kleine rol maar ik weet deze uit te bouwen tot een grote. Tot grote hilariteit van het publiek wil mijn houtje-touwtje nagebouwde antieke camera maar niet overeind blijven staan. Het stuk is grappig maar ik maak er een slapstick van. Ik heb het naar mijn zin. Het publiek ook. De juf was achteraf behoorlijk pissig).
Ik besluit het te doen. Het lijkt me fantastisch. Als het leven een spel is waarom dan niet ook voor de knikkers gaan. Dus gooi ik mezelf in het diepe. Lekker bezig zijn, onderzoeken, niet teveel denken. Lekker doen. MULTITUD, here I come.”

Dag 1: Ik voel me betrapt.

“De repetities vinden plaats in een sporthal in West. Ik ben de eerste. Is dat mijn opvoeding of geeft het mij de voorsprong zodat ik rustig de groep kan zien binnendruppelen? Ik zit op een barkruk in de kantine in de klassieke zin des woord: een verstofte prijzenkast, geurvan oud frituurvet, donker meubilair.

Er melden zich veel jonge mensen: vrouwen veelal, twintigers. Een paar dames en toch ook vier (jonge)mannen. We gaan naar beneden en in de immense zaal stelt Tamara zich voor. Ze is een vrouw die niet onder stoelen of banken steekt dat zij in de ruimte is. Niet dat ze veel of hard praat maar toch kun je niet om haar heen. Haar Engels is belabberd waardoor een Spaanse (?) danser voor haar tolkt. We zitten in een kring van de gigantische zaal en Tamara vertelt over MULTITUD.
Zoals ik het begrijp, staat MULTITUD voor een visie op hoe je met inzet van ieders eigen kwaliteiten een groep kan vormen. Geen massa en geen leider, evenmin losgeslagen eenlingen. Iets daartussen. Het is dit idee van Spinoza (houd me ten goede) dat wij in onze eigen groep en bij onszelf gaan onderzoeken en in een voorstelling zijn eindbestemming vind. Of we daarin ook zullen spreken, vraag ik. Tamara haar gezicht betrekt: ‘No! We use our body to talk.’
Al snel gaan we over tot oefeningen die zij steevast aankondigt met: ‘Okay, let’s work.’ Kort daarop loop ik met mijn ogen dicht door een groep van 30. Er wordt gegiecheld en er wordt gebotst. Ik merk dat ik ook met gesloten ogen veel informatie binnenkrijg over waar ik ben en wat er om me heen gebeurt. Uiteraard bots ik tegen iemand op. Ik houd mijn ogen angstvallig gesloten. Niet omdat het moet maar een beetje uit schaamte want ik greep de ander vast, bang dat die zou vallen. Stond ik daar ineens met een lichaam in mijn handen. Of greep ik me vast omdat ik zelf bang was te vallen? Of beide? In een pauze vertelt Tamara dat je een botsing ook kunt beschouwen als een ontmoeting. Het voordeel: je ondergaat het ontspannen en het is geen ‘ongeluk’.
Later die avond staan we met de gezichten dezelfde kant op in een rij als ze cryptisch vraagt: ‘Now I want you to move in one line. Start when you feel that the group is ready.’ Het voelt als iets belangrijks. Zonder ‘duidelijk’ teken worden we geacht samen in beweging te komen. Als er na een paar minuten beweging in de lijn komt, blijf ik stokstijf staan. ‘What happened?’ vraagt Tamara. ‘I’m afraid I didn’t feel it,’ zeg ik en leg daarbij vertwijfeld mijn handen op mijn hoofd. Tamara en haar vertaler beginnen te lachen. De laatste wijst naar zijn hoofd en vraagt: ‘You feel there?’
Een lach trekt collectief en als op commando door de hele groep. Die voel ik wel. Ik voel me betrapt.”

Dag 2: Het is alsof we samen aan het verdwalen zijn.

“Soms is er een man in de korfbalhal waar we repeteren aanwezig in wie ik de voorzitter van de club vermoed. Hij zit vaak in een achterafkamertje achter een beeldscherm – te patiencen, creatief te boekhouden? Gister stond hij vanaf het balkon naar ons te kijken. Hij stond breed, had de handen in de zij, zijn lange parka hing opengeslagen langs zijn forse lijf. Hij wipte op de neuzen van zijn orthopedische schoenen op en neer.
Waar normaal wordt gekorfbald, zag hij nu mensen die zich als zelfmoordenaars van een gebouw ter aarde lieten vallen.
Je kunt in korfbal ook een performance zien. Maar op de bank zit een trainer die wil winnen, geen choreograaf met een verhaal. Die ballen moeten dat mandje van de tegenstander in! Maar er zijn overeenkomsten: het lichaam is het instrument en er is de gedachte achter het spel, het ‘Hoe’. Hoe val je aan, beweeg je, reageer je, houd je overzicht, gebruik je je lichaam? Zou ‘de voorzitter´ dat ook zo zien? Komen er vragen in hem op over het lichaam, onze rol in de samenleving, over het mens-zijn? Willen de korfballers niet net als ik maar een ding: ten volle van het spel genieten en ach, dat resultaat… En daarbij moeten we leren omgaan met de grootste tegenstander: wijzelf en onze gedachten als ‘je doet het niet goed’, ‘wat ben je aan het doen?’, ‘wie denk je dat je bent?’

We moeten een partner zoeken. Er lopen dertig mensen rond maar wie kies ik? Wie kiest mij? Hoe gaat dat? Tamara geeft geen beperking als ‘iemand van je eigen geslacht’ of ‘van gelijke lengte’. Ik vorm een koppel met ‘de Japanse’ (een tengere, zwijgzame vrouw die beweegt alsof ze door een vaardige poppenspeler door de ruimte wordt geleid). De achterste sluit de ogen en legt de hand op de schouder van de ander. De eerste minuut beweeg ik door de zaal alsof ik een privéchauffeur ben. De rit moet veilig zijn, prettig. Ik wil vertrouwen inboezemen. Die gedachte verdwijnt als ik me bewust word van haar hand. Ben ik niet te lang voor haar? Voelt ze een sterke schouder of denkt ze: zijn shirt mag wel eens de was in? Vooralsnog volgt ze. Dan besluit ik stil te staan. In een wereld die door draait staan wij ineens heel erg samen en heel erg stil. Ik voel haar hand en probeer de hand een arm en lichaam te laten worden. Ik loop nu achteruit. Het is alsof we samen aan het verdwalen zijn. Ik raak steeds verder van de grote weg af. Nog steeds geeft ze er niet de brui aan.
De volgende oefening is er een die heel confronterend had kunnen zijn: minutenlang kijk je je partner in de ogen. Het gaat me makkelijk af, de grootste hobbels ben ik net gepasseerd.”

Dag 3: Onder de douche wil mijn lichaam met de stroom water mee het putje in.

“Ik heb weer werkelijk goed geslapen. Ik werd een keer gewekt: een enorme onweersknal. Weer bij bewustzijn probeerde ik de knal te plaatsen. Niet geografisch, nee: ik vroeg me af waar Tamara in het stuk de hemel naar beneden laat komen?
Elke dag betrekt de voorstelling meer kamers in mijn hoofd. Het verhaal waarvan we steeds maar delen krijgen aangereikt, begint zich te vormen. Toch is er nog niet concreet gesproken over Het Verhaal. Ik heb er ook niet naar gevraagd. Niemand. Wil ik voorkomen dat ik ga spelen wat een ander wil? Wil ik niet opvallen of ben ik bang daarmee de spanningsboog van niet-weten te breken?
De repetities nemen ook bezit van mijn lichaam. Nachtrust neemt bij het ochtendkrieken steeds minder vermoeidheid van mij weg. Elke dag trekt de zwaartekracht harder aan mij. Als ik opsta loop ik niet op een vloer maar over een veld van eieren naar de keuken, onder de douche wil mijn lichaam met de stroom water mee het putje in.
Mijn enkels zijn stram door het rennen, versnellen, remmen. Ik hoor hun protest maar als de groep links gaat en ik wend niet, dan beweeg ik me ineens alleen in de ruimte. Neem ik ze minder scherp dan moet ik daarna weer versnellen. Of moeten, moeten – ik doe dat, om bij de groep te blijven.
Mijn polsen zijn opgezet door het herhaaldelijk opvangen van mijn ´stervende´ partner. Mijn hamstrings stram door het op handen en voeten bewegen. ‘Go quick,’ roept Tamara, ‘reorganise your body, find a new way.’ Mijn liezen zijn als de overrijpe plekken op een appel. Plekken van beursheid die groeien, die mij helemaal tot moes willen maken. Haal ik de voorstelling wel?
Toch ervaar ik het ook anders: als een logisch gevolg. Hiervoor voelde ik dit allemaal niet. Ik was een kieviet. Maar deze kieviet beweegt zich nu anders, het vogeltje zingt een ander liedje – veranderingen hebben consequenties.
Iemand vroeg of ik uitkeek naar de voorstelling. Ik bekende van niet. Als we met repetities onder elkaar zijn, voel ik me vrij. Als er vreemden verschijnen (cameraploegen!) dan verandert dat. Gister had ik het heel sterk bij de scène waarin wij, in Tamara´s woorden, ‘shit’ zijn. Nadat we en masse zijn ‘doorgetrokken’ liggen we op de bodem van het bestaan. Dan ontstaat er – na een ingetogen stilte – een aanzwellende collectieve lachbui. Op de vloer wil het lachen nog wel lukken maar eenmaal opgericht, vergaat het lachen mij snel. De anderen lachen alsof zij wel inzien dat het leven een grote grap is. Mij kwelt het dat ik zie en hoor dat zij het wel door hebben, maar dat ik me aan de andere kant van een glazen wand bevind.”

Dag 4: De groep en de voorstelling zijn in gevaar.

“Tamara heeft iets op haar hart. Het is 21 uur 50. Haar grote donkere ogen gaan de kring rond. Ze zwijgt. 25 uitgeputte, bezwete spelers kijken haar aan. ‘You worked very good. Thank you.’ Haar mondhoeken hangen echter en ze zucht. ‘I want to talk to you about what MULTITUD really is.’
Tamara is geen grote prater. Wie informeert naar het verhaal van de voorstelling, wordt met grote ogen aangekeken, daarna laat ze haar onderlip hangen en gooit ze haar handen in de lucht: ´I don´t know, you tell me.´
Haar werkwijze is ongedwongen – scènes komen heel organisch tot stand. Ze geeft ons in koppels een oefening, na een half uur voegt ze koppels samen en wordt de essentie van de oefening voortgezet en voor je het weet roept ze: ‘Pause’ en gaan we over naar een scène. Het werkt: we hebben al 70% van de voorstelling behandeld en ontdekkingen over het stuk ervaren we in plaats van dat ze ons worden verteld.
MULTITUD,’ gaat Tamara verder, ’kan voor een ervaring zorgen die jullie leven en dat van het publiek kan veranderen. Jullie zijn hier dus jullie willen dat. Maar we zijn met slechts 25 performers en zoals bekend, da´s niet genoeg. Je kunt denken: daar is de organisatie voor. Maar dit stuk gaat er juist over dat als de groep iets mist, de groep zichzelf moet redden.’ Het is doodstil. Worden we berispt of legt ze simpelweg een pijnlijke waarheid bloot? Er moeten 30 mensen bij.
Ik trek het me aan. De groep en de voorstelling zijn nog steeds in gevaar. De band die ik met Tamara en de groep aan het opbouwen ben, dreigt zijn apotheose te missen. Het publiek zal MULTITUD moeten missen.
Die avond kom ik elf uur thuis, zoen mijn vrouw en begin te bellen. Het stadium van sms’en zijn we voorbij en dat het laat is, ach. Ook schrijf ik drie vrienden een mail, vraag ik een vriendin met 600 ´vrienden´ uit de culturele hoek ons project met toelichting te delen en mijn vrouw gaat weer rondvertellen. Zij oppert ook de voorzitter van de korfbalhal waar we repeteren in te schakelen. Die heeft zijn leden, die kent zijn pappenheimers. Om half twee lig ik tevreden in bed. Afwachten leek eenvoudiger maar wat heb ik aan bespaarde moeite en het eigen gelijk als het betekent dat wij straks geen voorstelling hebben?
N-I-E-T-S.”

Dag 5 : Bij mijn hart landt een helikoptertje.

“Een lege vloer. Na enige tijd verschijnen wij. Eén voor één. We nemen de ruimte in bezit. We staan, de blik recht vooruit, niet bezig met denken of oordelen. We staan, we zijn. In Tamara’s woorden: ‘You will be beautiful available bodies’. Overgang: kleine veranderingen duiken op, we veranderen van houding. Het eindigt op de vloer. ‘Collapsed.’
Het was één van de eerste oefeningen die we kregen. Ik wist me er geen raad mee. De uitleg was summier en koffie drinken doe ik dagelijks maar imploderen – nee, nooit. Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar de anderen. Bijna zonder uitzondering zeeg iedereen sierlijk in elkaar. Tamara schudde na enige tijd van nee, cryptisch sprak ze: zoek weerstand tegen het verval.
Vandaag, 4 dagen verder, herpakken we deze scène. Ik werk met Maja en om en om nemen we een mes ter hand waarmee we andermans pezen doorsnijden. Het lichaam: een manipuleerbare sculptuur. Ik moet Maja’s lichaam aftasten, visueel en met mijn handen. Zij het mijne. We overleggen: Welke spier moet eraan geloven om de romp achterover te laten vallen? Nu kan dat nog. Ineens snap ik ook waarom Tamara ons die ochtend met een massage liet beginnen. Ze doet weinig ‘zomaar’. Via oefeningen (‘let’s work on the material’) leidt ze ons naar situaties, problemen, vragen en inzichten. We blijven ons ontwikkelen. Mijn bewondering voor haar houdt gelijke tred: het is een feest in haar buurt te zijn.
‘Het kan kleiner,’ roept ze. ‘For example,’ ze laat haar hoofd opzij vallen. ‘I am like this. Okay, nice. Then stay like this, investigate the new situation. Ahhh, that is interesting.’ (ze kijkt even de groep rond: grote ogen, ‘begrijp je me’-knikkend) The head is heavy. Feel the weight, feel the blood that runs through your body, feel the tension in the muscle.’
Daarna doen we de openingsscène nogmaals.
Ik heb me in een ogenschijnlijk onmogelijke positie gebracht. Tergend lang blijf ik staan, ik vlucht er niet uit. Ik wil deze nieuwe situatie bewonen. Flits! Heel kort zie ik mezelf staan. Snel probeer ik daar weer weg te komen. Ik wil voelen, mijn ongemak en fysieke pijn ervaren. Pijn wint terrein. Bloed wil naar mijn arm, handen, vingers – gaat niet. Slagaderen pulseren hoorbaar. Ik weiger toe te geven. Flits! Mijn arm moet hangen als een wimpel in windstilte. Gezever! Geen plaatjes maar onder die huid zitten Ferry!
En dan komt ie aangevlogen. Over alle krampen en pijn heen komt er een helikoptertje dat landt bij mijn hart. De deur schuift open en er stapt een jongetje dat nergens bij hoort uit, een broer die uit beeld verdween, onze dode kat en een ernstig zieke vriend.
Mijn arm voel ik niet meer, maar mijn pijn des temeer.”

Dag 6: Waar de navel woont en werkt weet ik niet.

Het is zaterdag en vroeg. Ik ben op weg naar de repetities. Ik houd van de stad als ik haar voor mezelf heb, als ik haar hoor ademhalen, als de achtergrond eens naar voren komt. Normaal zou ik vandaag zijn gaan skiffen, alleen naar de markt zijn gegaan, rustig koffie hebben gedronken met Moon, gelezen, film gekeken, koken. Vandaag niet. Gister niet. Morgen ook nog niet. Míjn ritme is weg. Is dat erg? En: als het terugkeert, ben IK dan nog wel de oude?
De Blauw Wit-hal is mijn wereld. Ik ben bij alle repetities en als ik niet repeteer, ben ik thuis. Ook daar gaat Multitud verder, ze ijlt na in mijn hoofd, mijn vingers beschrijven de voorbije dag. Het grootste verschil met mijn oude leven is het aantal mensen met wie ik me omring. Vandaag repeteren we 8 uur en zal ik ze weer beter leren kennen. Ik kan vijf minuten met iemands navel tegen mijn wang hebben gelegen, maar een naam of weten waar de navel woont en werkt weet ik niet.
Ook wel geweldig!
De lunch komt uit de keuken van de korfbalvereniging. Het is voor de mensen uit Bulgarije, Japan, Griekenland, Spanje, Polen, Uruguay, Amerika, Zwitserland een goede gelegenheid de Hollandse keuken te leren kennen. Blauw Wit kent zijn klassiekers: een pan tomatensoep met fabrieksballen, groentesoep, zachte bolletjes met ham en kaas (schijfje tomaatje, blaadje ijsbergsla), karnemelk en toe een fruitsalade. Nadat ik me over de eerste teleurstelling heb gezet stroomt mijn hart alweer vol liefde als de man uit de keuken verwachtingsvol informeert of het smaakt. Toplunch, roep ik en lieg niet. Het verenigingsleven hier raakt een snaar in mij. Ergens bij horen, je plek vinden, je welkom weten.
Ik zit naast ‘de handstand’. Ze heeft een trui waarop ondersteboven de tekst I CAN DO THE HANDSTAND geschreven staat. In haar geval is de tekst vrijwel altijd gewoon leesbaar. Ze beweegt als een turnster – ze blijkt acrobate, 18 jaar, uit Zwitserland. Ze is er elke repetitie bij. Toch is dit ons eerste gesprek. We hebben het over de doorloop van gister. ‘Wat me opviel was dat jij telkens wat anders doet: je blijft langer doorlopen, liggen of je begint later met iets dan de anderen en als iedereen links gaat, ga jij rechts. Dat deed je bijna bij alles. Alsof je het bewust doet.’ Ik neem een slok karnemelk en denk na: Ik deed het niet bewust. Maar dat maakt het juist wezenlijker. Elkaar niet eerder gesproken, slechts vijf dagen bij elkaar, maar in een enkele doorloop legt ze dit bloot.

Dag 7: Als ik wegga, ben ik alleen.

“Niet eerder was de aanvechting een repetitie over te slaan zo sterk als vandaag. Is het alleen mijn lichaam dat weigerachtig is? Wil ik niks missen omdat ik het anders straks ‘niet kan’? Toch ben ik ook deze vroege zondagochtend wéér op weg.
Als ik arriveer is de groep nog klein – klein en landerig. Alsof iedereen wil spijbelen. Wat ik mooi vind, is de afwezigheid van dwang bij dit project. Je komst is gewenst en we hebben een productie maar als je elders wilt zijn… ook goed. ‘We missen je maar het kan.’ Ik ben er altijd. Tamara pakt uiteindelijk toch het voortouw en trekt ons naar beneden.
Na het opwarmen beginnen we in koppels elkaars nek te masseren. Ik werk met Astrid – zo heet ze (vast) niet maar zij lijkt op haar. Astrid is ook warm en aardig, toch weet Astrid zeker wat ze wil. Astrid vond ook niet snel iets gek. Ik voel me bij ‘Astrid’ op mijn gemak.
We lopen door de ruimte. Ik met mijn hoofd in haar handen. ‘Think of the head as a ball,’ zegt Tamara. ‘Play with it, but also take good care of it.’ Ik ben zo ontspannen (of moe) dat ik soms vergeet te lopen. Duizelig stap ik na tien minuten uit het veld. Bij de toiletten staar ik in de spiegel en tref een krijtbleek gezicht.
Op weg terug naar de hal kom ik iemand uit de groep tegen. Of het wel gaat, vraagt ze. ‘Beetje duizelig,’ antwoord ik. Achter glas zie ik de groep bezig. Ik wil er weer bij maar weet ook dat mijn lichaam rust wil. ‘Als ik wegga mis ik van alles,’ speelt het door mijn hoofd. En: Dan ben weer ik alleen. Ik loop naar de kantine, even bezinnen, rust. Boven zijn de mensen van Blauw-Wit onze lunch aan het bereiden. ‘De voorzitter’ zit met zijn eerste biertje op het terras.
Ik zoek beneden een bank en ga liggen. Het enige geluid komt van tennisrackets die een tennisbal raken, spelende kinderen, bladeren in de wind. Ik lig op mijn rug. In de hemel grote wolken. Constant wisselende formaties. Aan de randen kolken plukjes die dreigen los te raken van de grote vorm maar wat niet gebeurt. Elders: blauwe lucht, niets, veel niets. In dat niets verschijnt een vliegtuig. Net als de wolken beweegt deze zich door het luchtruim. De wolken en het vliegtuig zijn in elkaars nabijheid maar toch zijn ze ook in andere werelden. De zachte, tedere, wolkformatie versus die harde pijl die zich een weg in het luchtledige boort.
In de kantine is de lunch begonnen. Of er iets mis is? Of ik moe ben, het gehad heb, geblesseerd ben? ‘Are you okay, Ferry?’ vraagt ook Tamara. Waarom zijn ze zo aardig tegen me? Worden ze ervoor betaald? Of is dit menselijkheid en is die behandeling ook voor mij weggelegd? Ik besluit naar huis te gaan maar niet voordat ik mijn verdrietige gedachtes aan iemand heb verteld en die persoon daarna vraag of die mij wil vasthouden.
Die middag zwelg ik in mijn verdriet. Ik jank een zwembad vol en trek er baantjes in. Ik ben verdrietig, ik ben heerlijk verdrietig.

En morgen… een nieuwe dag.”

Dag 8: Dit is een mens, geen voetveeg.

 “In mijn dagboek trek ik een scherm weg. Mensen zien voorstellingen, het resultaat van repeteren. Maar trek het ene scherm weg er zullen anderen verschijnen. Zo is er voor mij het gordijn waarachter de organisatie van Julidans schuilt. Ik weet van hun bestaan, ik ze zie ook regelmatig maar tijdens repetities is de schouwburg heel ver weg.
Vandaag had Tamara crisisberaad. Het minimum aantal aan performers was nog niet bereikt en het uur U naderde. Zou het wel door gaan? Het blijkt welhaast onmogelijk om anno nu in Amsterdam (vrijwillige) performers te vinden voor MULTITUD. Mensen hebben of willen er geen tijd voor vinden, ook willen velen niet voor ‘niets’ werken. Zegt dat iets over deze tijd, deze stad? Elders bleek het telkens wel mogelijk. Als dat zo is dan hebben wij een onze noodzaak gevonden. Deze stad heeft MULTITUD nodig. We zijn druk, we rennen, we willen geld, maar waar rennen we heen? En: zijn zaken van waarde te koop of kun je die ook verdienen? En willen we hollen of hollen we maar mee?
Als ik dan toch preek dan liever voor andersdenkenden. Zowel voor de spreker als de toehoorders is dat interessanter. Ik hoop dat de mensen die nee zeiden straks komen kijken. We hoeven dan niet te scoren voor open doel. Het wordt een uitwedstrijd waar wij, met geschorste spelers en een geblesseerde topscorer en sterke tegenwind en de verblindende zon in de ogen, zullen proberen een prachtspel te laten zien.
Het gaat door!
Mijn favoriete scène is ‘de exodus’. Ik herinner me mijn verbazing bij het instuderen van dit deel. Tolk/performer Javier lag op zijn buik en Tamara kwam op handen en voeten aangelopen. Bij hem beland vervolgde zij haar route… over zijn lichaam. ‘His body must be relaxed, available. I need to take care of him. Feel where you place your hands and feet. You can place them eveywhere, even breasts but take care.’
Daarna strekte zij zich uit en was het aan hem. ‘Dit kan niet,’ dacht ik. Javier is 1 meter 85, 85 kilo zwaar. Hij zette zijn linkerhand op haar kuit, zijn rechter op de andere, zijn voet plaatste op haar zool en zo bewoog hij langzaam naar boven. Tamara zuchtte. ‘Keep breathing.’ Javier vervolgde tastend zijn route. Op haar achterste blies hij even uit.
Met bewondering keek ik het aan. Wat kan een lichaam veel hebben! Als wij aan de slag gaan openbaart de gelaagdheid van dit werk zich weer. Tijdens het klauteren merk ik hoe delicaat het is om over de ander te lopen maar wat is het heerlijk dat iemand mij een pad biedt om vooruit te komen. Later lig ik op de grond en ervaar ik hoe mooi het is de hulp te kunnen bieden. En de kruipende lichamen op mij gaan er niet lichtzinnig mee om. Ze weten: dit is een mens, geen voetveeg.”

Dag 9: Rondrennen kun je als zombie doen.

“Het start- en middelpunt van MULTITUD (van performen) is het lichaam. Hoe beweegt het, wat doet het, hoe vormen meerdere lichamen een beeld? Wij performers zijn geen marionetten, wij hebben invloed op dat beeld en de zeggingskracht. Wij vullen het beeld in. Maar nu, nu wordt het precair of: uitdagend! Want je bent je eigen gids in wat je voelt of ervaart. Denk je in een plaatje dan kan het al snel kolderiek worden. Ik noem het rondrennen met een lichaam met bungelende, ontspannen ledematen. Dat kun je als zombie doen. Je kunt ook van binnen de boel anders organiseren zodat je je steeds verder ontspant. Dan ziet de toeschouwer een lichaam dat de controle verliest. Beide roepen gevoelens of gedachtes op. De beweging geeft scènes betekenis. Wordt het Thriller of toch een andere ervaring?
De performer zet de toeschouwer op een spoor, maar je wilt hem geen strop om de nek leggen en binnenhalen. Het is zaak je beweging (losse ledematen, snelheid, duizeligheid, botsingen) te ondergaan en met de gevoelens die ontstaan, handelingen in te zetten. Beweging. Lichaam. Gevoel. Handelen.
Je legt er niet iets extra’s in, nee: je bent, je doet. Dit vind ik ontzettend lastig. Neem dat rennen. Organiseer je lichaam maar eens zodat het is alsof je lichaam uit elkaar dreigt te vallen. Dan: moet ik ook nog bij mijn gevoel komen (en dus het denken achterwege laten). Omdat we niet alleen zijn, probeer je ook nog contact te houden met de groep. En: er is nog ‘het toneelbeeld’, dat moet aantrekkelijk blijven.
Oh ja, de timing, die moeten we ook nog in de gaten houden.
Gelukkig hebben we deze doorloop een lang gesprek. Tamara is bang dat we teveel het stuk gaan ‘afdraaien’ of dat we patronen creëren. Liever ziet ze dat wij het stuk spelen en beleven als doel zien. We moeten het ondergaan. Niet pagina’s omslaan maar echt de woorden proeven, tot je laten komen, voelen wat die ongelukkige val van iemand in jouw nabijheid met je doet, hoe je de adem van een hijgend mens met een hartslag van 180 op 5 centimeter van je gezicht ervaart?
We mogen ook meer menselijkheid erin leggen. Dat is niet hetzelfde als acteren of dramatiseren. Ze trekt er een vies gezicht bij: ‘No, we don´t want that.’
Ik merk dat performen van mij vooral constante alertheid vraagt. Alertheid om te blijven voelen wat ik voel, wat ik zie, hoor, ruik, wat de anderen doen. Die constante alertheid put me ook uit. Als ik een gebouw ben dan vertoefde ik veel en vaak op mijn bovenste verdieping. ’s Morgens nam ik de trappen naar boven. Daar was ik graag. Hoog, boven alles, stil, veilig. Maar ondertussen stonden de andere etages leeg. Nu ren ik het gebouw op neer. Ik bewoon de krochten, de spellonken, de kieren maar heb ook vergezichten. Soms schopt het me de deur uit, de straat op. En ik struikel ik voortdurend. Ik krabbel weer op en ga verder.
Ergens vermoed ik dat mijn leven in die vertrouwde bovenkamer mij slechts ogenschijnlijk gelukkig maakte. Was het niet ook een kerker of een plek waar ik kon schuilen uit angst voor de ware intensiteit van het leven?”

Dag 10 (generale repetitie): Houd ook het grote plaatje in de gaten.

“Hevige regenval heeft het Erasmuspark onder water gezet. De Generale zal niet buiten worden gehouden maar weer in de Blauw Wit-hal. Het plan wordt weer volledig aangepast. Een nieuwe oefening in het leren omgaan met onverwachte situaties. Het lijkt wel MULTITUD. Verwachtingen bijstellen, bakens verzetten, teleurstellingen weer achter je laten.
Ik begin het aardig in de vingers te krijgen of ik gaf er al niet zoveel om. Ik merk dat het mij om het even is waar we het doen, als we het maar doen. Want dat ik hem wil doen is wel duidelijk. Als ik de volgorde en de codes maar goed in mijn systeem heb dan komt het morgen wel goed. Dan heb ik mezelf en de groep.
Het geluid zal vanavond wel meelopen. Muziek is het niet echt, eerder geluidskunst. Het is wel wennen. Het is verleidelijk om ‘de muziek’ als dirigent te beschouwen die tekens geeft voor tempo en scènewisselingen. Niet goed. Da’s het paard achter de wagen spannen. Het geluid zal reageren op ons in plaats van andersom al blijkt dat wel lastig.
Dat merk ik bij ‘de orkaan’. Het zuigende geluid neemt in snelheid toe, sneller dan onze benen ons bewegen en we lopen achter de muziek aan. Ook later, bij ‘de kakkerlakken’, is het de muziek die ons omhoog doet schieten. Dit heeft niks met sensitiviteit en timing te maken maar met reageren op een teken. Iets wat we nu juist hebben willen verruilen voor sensitiviteit, aanvoelen, elkaar in de gaten houden.
Tegelijkertijd: het doorbreken van patronen behoorde ook tot de lessen.
Na afloop hebben we een korte bespreking. Ik ben erg tevreden. Op een paar momenten was ik de volgorde kwijt maar door naar de anderen te kijken, vond ik weer aansluiting. Er was zelfs een scène bij waarbij ik de schoonheid van het stuk ervoer. Het beeld van de rondslingerende kleding die door iedereen omhoog wordt gegooid gaf zo’n mooie aanblik dat ik er blij van werd. Ik denk dat ik er zelfs bij stond te glimlachen.
‘Oh and there’s one more thing,’ zegt Tamara, het woord tot de niemand in het bijzonder richtend, ‘throwing away the clothes is not a happy scene.’ Ik slik. Ik slik nogmaals. Ik voel me lullig. Heb ik die scène nou zo naar zijn grootje geholpen? Zat ik eens lekker in het moment, wees mijn kompas me de verkeerde kant op. Op de fiets naar huis bedenk ik me dat ‘generales’ hiervoor bedoeld zijn. Als ik de volgende ochtend Lara bel en haar vraag naar haar omgang met gevoelens in het stuk zegt ze: ‘Er is niet een goed of fout. Als je dat voelt is het prima, maar houd ook het grote plaatje in de gaten. De kijker moet ons allemaal bezig zien, niet een iemand die eruit springt en blijdschap toont. Daarmee zou je de kijker zijn eigen beleving kunnen ontnemen.’
Ik ben er klaar voor.”

Dag 11 (de performance): Op zoek maar niet naar iets dat te koop is.

“Ik fiets richting West, richting het Erasmuspark. Het regent. Had ik al geschreven dat het een openluchtvoorstelling is?
Zojuist was het een uurtje droog. Een filmploeg die me volgt, had me gevraagd een stukje te gaan roeien. Toen het erop stond, vroegen ze of ik nerveus was. ‘Waarvoor,’ vroeg ik en dit was niet stoer bedoeld.
Uit reacties die ik krijg als ik over de repetities en de performance vertel, merk ik dat wat wij in de voorstelling onderzoeken veel mensen bezighoudt – echt voelen, je hart durven volgen, je eigen keuzes maken, jezelf durven zijn, verbinding zoeken. Op een simpele, beeldende wijze (‘We don’t talk, we use the body’) creëert MULTITUD situaties die vragen oproept en emoties losmaakt, bij spelers en publiek.
Afgelopen weken heb ik mezelf in die situaties gebracht, situaties waarvan ik vooraf de uitkomst niet wist. Het enige dàt ik wist, was dat ik er iets mee moest. Er werden me problemen bezorgd, voorstellen gedaan, keuzes geboden – du moment diende ik te reageren. Niet met het hoofd (‘Too politically correct’) maar op basis van mijn zintuigen en gevoel.
Het is de kern van performen (en misschien wel: leven).
Straks ben ik weer omringd met de groep met wie ik dit heb onderzocht. Ze zijn blank, bruin, jong, oud, amateurdanser of professioneel, hoog- en laag opgeleid, man en vrouw. De een was gepensioneerd, de ander kwam naar de repetities nadat ze een hele dag als suppoost schilderijen had bewaakt. Een ander stond voor de klas. Er kwamen er van om de hoek, maar ook uit Bussum, Leiden, Utrecht, Haarlem. Om van de nationaliteiten maar niet te spreken. Allemaal deden we het voor ‘niets’. Nu ja, we waren wel op zoek naar iets maar naar iets dat niet te koop is. De gedachte straks met hen te mogen spelen geeft me zoveel zin en kracht dat de hemel naar beneden moet komen willen ze mij niet laten spelen.
Op weg naar Podium Mozaïek (onze verzamelplaats) fiets ik door het park om onze ‘vloer’ te bekijken. Te midden van een groot veld waarvan de leegte door de aanwezigheid van een hond wordt benadrukt, zie ik onze set. De verregende technici doen er alles aan water en elektriciteit gescheiden te houden.
In de kleedkamer tref ik hen. De kreupele en gehavende gevallen hebben pijn verruild door verdoving. Er zijn er ook afvallers. Ik geniet van de aanblik van mijn medespelers. Met een ‘Hé Ferry, zin in?’ word ik verwelkomd, ik schud handen, zwaai, wordt omhelsd. Even later geven de technici groen licht: het gaat door. We lopen gezamenlijk naar het park. Daar vraagt Tamara of wij onder deze omstandigheden – nat en inmiddels (en zeker straks) ook koud – wel willen spelen. Er volgt geen discussie.
Mijn enige punt van zorg is: ik wil wel publiek. Al zijn het er maar vijf, ik wil publiek. Ik begon aan dit project voor mezelf maar inmiddels wil ik de kwetsbaarheid, kracht en onvermoede gevoelens die bij mij los zijn gekomen, doorgeven. Ik wil een spiegel zijn voor diepgewortelde emoties die dankzij ons spel de kans krijgen naar buiten te komen.
Een half uur later gaan we van start.
In de regen, met publiek.”

Dag 12 (slot): In de verte zie ik mijn medemens passeren.

 “Het is stil in het Beatrixpark. Af en toe een hardloper of fietser. Na te hebben uitgeslapen en een rustige zondag (ik lag er pas om 3 uur in: Het Artiestenbestaan!) zit ik nu op een verlaten veld met mijn rug tegen een boom. Voor de vorm pak ik er de weekendkrant bij: kolommen vol verhalen over de mens – wat we doen, hoe we doen. Gezichten kijken me aan – breed glimlachend, angstig, neutraal, zelfvoldaan, onzeker, gelukkig. Tevergeefs doen de verhalen pogingen mijn aandacht te vangen.
Het is bij vijven, normaal onze repetitietijd. Voltooid verleden tijd.
Een herinnering: ik ben 17 jaar, ik ben nieuw op een school, instromer. Meteen de eerste week gaan we op schoolreis naar Berlijn. In de bus komt een meisje naast me zitten. Ze is heel open, belangstellend. Ze is leuk. Er ontstaat die week iets wat je zonder omwegen Liefde kunt noemen. Na een week worden we weer voor school afgezet. Zij gaat naar de Prinsengracht naar haar ouders, ik naar mijn jongenskamer in een Amsterdamse buitenwijk. Thuis heb ik nergens zin in. Ik sluit me op in mijn kamer. Uit de stapel vuile kleding zoek ik het T-shirt dat ik tijdens de terugreis aanhad. Heel de terugreis heeft zij tegen mij aan gezeten. Ik leg het naast mijn kussen.Ik leg de kranten weg. In de verte zie ik mijn medemens passeren. Soms werpt iemand mij een blik toe om weer snel weg te kijken. Passanten blijven passant. Ik denk terug aan die ene oefening. Het was een opwarmer.
We lopen door elkaar en we gooien elkaar flesjes water toe. Ons tempo van lopen en gooien wordt steeds hoger. Voor de werper zaak goed te kijken wie zijn blik, en daarna de fles, vangt. Voor de anderen zaak alert te zijn óp die blik. Zo intens met elkaar bezig, vraag en aanbod, geven en nemen, samenwerken, aanvoelen.
Toen een vriend mij na de tweede voorstelling vroeg of ik het spijtig vond dat het al voorbij was, aarzelde ik niet: ik zei dat de voorstellingen voorbij mogen zijn, maar dat ik de inzichten de rest van mijn show – het leven – meeneem. Welke? Dat als ik mezelf niet tot een groep reken dat dàt mijn projectie is en ik mezelf er dus buiten plaats. En wat me ook duidelijk is geworden in de afgelopen weken is dat ook mijn aanwezigheid op prijs wordt gesteld. Tot slot: als ik mezelf ben, is dat meer dan genoeg.
Deze inzichten draag ik bij me. In hoofd en hart. Concreet zal ik vaker op zoek gaan naar samenwerking en verbindingen. Want mensen maken me blij èn verdrietig (en andersom: ik hen) en dat ervaren maakt dat ik werkelijk leef. Ik heb een vak waarbij afzondering vereist is maar de verhouding ‘werkkamer – buitenwereld’ kan veranderd worden. Ik ben iemand die graag op zichzelf is, maar ik wil de afzondering als een keuze beschouwen, niet ertoe veroordeeld zijn. Voel ik me voortaan alleen of onzichtbaar, dan zal ik een flesje water pakken en de straat opgaan.
Of ik ga de straat op en wie weet worden er mij flesjes toegeworpen.”Ferry Wieringa

PREV

Diario di bordo / Puglia

NEXT

Multitud de Támara Cubas

WRITTEN BY:

LEAVE A COMMENT